Historie.
 
De Cajon vindt zijn oorsprong in Peru.
Slaven uit Afrika gebruikten vis kratjes om trommel instrumenten te maken
als vervanging van hun oorspronkelijke drums.
het was de slaven verboden hun Afrikaanse instrumenten te bespelen.
Het instrument heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld en was niet meer 
weg te denken in de Peruviaanse en later ook Cubaanse muziekwereld.


De eerste contacten met de Europese muziek wereld was met de flamenco muziek.
Naar verluidt heeft Paco Pena het instrument in de Spaanse muziekcultuur
geïntroduceerd.


De "moderne" Cajons worden meestal van multiplex plaatmateriaal gemaakt,
Ook andere houtsoorten worden toegepast.
Vaak in diktes van 9 of 12 mm.   
Soms worden ook kunststof materialen worden gebruikt zoals gekleurd plexiglas.

De voorplaat (de slagplaat) wordt geschroefd.
Deze slagplaat is van ca. 3 millimeter dik triplex gemaakt
.

Aan de achterzijde of aan de zijkant is de Cajon voorzien van een klankgat.
Deze constructie in combinatie met een of meerdere snaren, zorgt voor het
zgn. "slap" geluid.


De speler zit op het instrument en slaat tussen gespreide benen door op de
triplex slagplaat.
Hierbij kunnen verschillende slagtechnieken worden gebruikt.
Bij het bespelen van de Cajon gebruikt je veel meer de vingers, dan de vlakke hand,
zoals bij jembee's en conga's
 


Er bestaat momenteel lesmateriaal, met instructie DVD's voor de Cajon.